Algemeen voorkomen:
Van elk officieel ras wordt een rasstandaard opgesteld door de kennelclub uit het land van oorsprong. In de rasstandaard wordt beschreven hoe de meest ideale vertegenwoordiger van zijn ras eruitziet, en aan de hand van deze rasstandaard worden de dieren op tentoonstellingen gekeurd. Voor de boxer geldt dat Duitsland de eerste rasstandarrd heeft opgesteld. Nu is het inzicht over het ideaalbeeld enigszins aan verandering onderhevig,en ook is bij verschillende rassen gebleken dat bepaalde raskenmerken gezondheidsschade met zich meebrengen. Van tijd tot tijd wordt een rasstandaard dan ook aangepast. Deze wijzigingen worden eveneens vanuit het moederland aangestuurd. Voor de boxer geldt dat er jarenlang een tendens bestond om exstreem korte neuzen hoger te waarderen. Maar deze korte neuze bemoeilijkte de ademhaling dermate dat het goede werkprestaties en atletisch vermogen beperken. Tegenwoordig wordt gestreefd naar een evenwichtigere verhouding tussen schedellengte en neuslengte. De waarde van de boxer als sporthond en atleet(zoals hij dat vroeger was), wordt daarmee recht gedaan.
De rasstandaard
Algemeen voorkomen:
De boxer is een middelgrote,vierkant gebouwde hond met sterke ledenmaten en krachtig ontwikkelde spieren.
Gedrag en karater:
De boxer moet zelfbewust, rustig en gelijkmoedig ogen. Zijn aanhankelijkheid en trouw tegen zijn gezin en het hele huis, zijn waakzaamheid en zijn onverschrokken moed als verdedigingshond zijn van oudsher beroemd. Hij is ongevaarlijk voor de family, maar wantrouwend tegenover vreemden,opgewekt en vriendelijk tijdens het spel, maar zonder vrees wanneer het ernst is.
Hoofd:
Zonder al te veel rimpels en met een volle snuitpartij, die net zo breed is als de schedel. Het donker masker beperkt zich tot de voorsnuit.
Stop:
Een goed aangegeven voorhoofdsgroef, die niet te diep mag zijn,vormt samen met de neusrug een duidelijk gemarkeerde stop.
Neus:
Breed en zwart, gaat iets omhoog, wijde neusgaten waartussen zich een groef bevindt. De neuspunt ligt wat hoger dan de neuswortel.
Ogen:
Zo donker mogenlijk en donker omrand. Mag niet te klein zijun, uitpuilen of te diep liggen.
Gebit:
De onderkaak streekt boven de bovenkaak uit en ze is lichtjes naar boven gebogen. De boxer is een ondervoorbijter.
Hals:
Krachtig, gespierd, zonder rimpels of kwabben.
Oren:
Hoog aangetzet. Ongecoupeerd, eerder klein dan groot en ze voelen dun aan.in een duidelijke plooi naar voren vallend.
Bouw:
Vierkant De romp rust op stevige, rechte benen.
Achterhand:
Keiharde bespiering, goed zichtbaar onder de huid.